BOEDDHISTISCHE KRIJGSKUNSTEN
van de Koreaanse Tempels
© 1995 door Robert W.Young
In de training maakt bul mu do in het
bijzonder gebruik van muren. Leerlingen rennen naar de dun gecapitonneerde wand,
treffen deze met een voorwaartse schop, springen op, draaien en schoppen een
ingebeelde aanvaller die zich achter hen bevindt. Een onsuccesvolle poging mondt
uit in een val op de al even dun bedekte bodem. Sommige leerlingen kunnen zelfs
draaien en twee schoppen uitvoeren.
De volgende techniek, iets wat je gewoonlijk in kung fu films ziet maar zelden
in het echt, werd alleen door drie gevorderde studenten geprobeerd. Ze renden,
sprongen, namen twee stappen tegen de muur op en maakten een salto met gestrekte
benen in de lucht, waarna ze landden in de gevechtshouding. Later oefenden de
minder ver gevorderde studenten dit met behulp van een 15 cm. dik kussen. De
meeste konden het toen ook nog niet.
De laatste muuroefening werd alleen door een enkele monnik, de meest gevorderde
beoefenaar aldaar, getoond. Na een korte aanloop wierp hij zich tegen de muur,
waarbij hij deze met een zijwaartse schop met beide voeten trof. Daarna draaide
hij in de lucht waarna hij in uitzonderlijk evenwicht op beide voeten landde,
als een volmaakt acrobaat en krijgskunstenaar. Voor de andere leerlingen blijft
deze techniek nog maanden of zelfs jaren onbereikbaar.
Technieken
Bul mu do kent ook een aantal vormen. En het is
duidelijk dat deze vormen de nadruk leggen op soepele, vloeiende handtechnieken,
hoewel er ook enkele moeilijke schoppen in voorkomen. Sommige bewegingen lijken
op bidsprinkhaan- en kraanvogelstijl kung fu, en worden ietwat langzamer dan de
normale Koreaanse en Japanse vormen uitgevoerd. Een ander vermeldenswaardig
verschil is de wijze waarop de armen bij de meeste bewegingen gestrekt blijven,
en dit gewoonlijk met open handen die in, met al zijn ingewikkeldheden en
geheimen, ertoe zou leiden dat men vrijwel elke tegenstander zou kunnen
verslaan.
De gevechtstraining is het volgende punt
op de agenda. Er vechten op elk gegeven moment slechts twee deelnemers, waardoor
ze de onverdeelde aandacht van de meester kunnen ontvangen. Ze krijgen een
vrijwel doorlopende stroom advies, verbeteringen en kritiek over zich heen.
Beginners werken in slow motion, waarbij de nadruk ligt op het gebruik van de
juiste vorm, het treffen van het exacte doel en het geduldig wachten op elke
opening die de tegenstander per ongeluk biedt. De mate van contact is
aanzienlijk, maar niet bruut. Elke verdediger vecht ongeveer 3 tot 4 minuten.
Terwijl zij elkaar afwisselen wisselt de aanvaller nooit, en dit is altijd de
meest gevorderde leerling uit de groep.
Wanneer hij een tegenstander van een wat hoger niveau tegenover zich vindt gaat
het tempo omhoog, net als de gebruikte kracht en de verscheidenheid aan
technieken. Hand- en voetbewegingen overheersen, maar grepen en worpen komen ook
voor. Nadat iemand op de grond is gebracht heeft een monnik als enige optie zich
te verlaten op zijn kennis van grondgevechten. Geen enkele beschermende
uitrusting wordt gebruikt. Er wordt gezegd dat dit onnatuurlijk zou zijn en een
vals gevoel van veiligheid zou oproepen. Gedurende de ongeveer 20 minuten dat
een en ander zijn beloop heeft is de meest gehoorde opdracht van de meester:
‘Ga door. Ga door. Stop pas dan als je de controle hebt’.
Een uur nadat hij is aangekomen staat de meester rustig op. De leerlingen
stellen zich weer op, en ze buigen samen in de richting van de beeltenis van de
Boeddha voor in de hal. Daarna draait de meester zich om, neemt de tweede
buiging van de andere monniken in ontvangst, beantwoordt deze, en wandelt
langzaam naar buiten.
De les is echter nog lang niet voorbij. Er zullen nog 90 minuten met vermoeiende
oefeningen volgen. Nu neemt dezelfde monnik die alle eerdere verrichtingen deed
de rol van instructeur op zich. Hij zit niet op het platvorm, maar blijft
beneden op de vloer, waarbij hij alle andere leerlingen persoonlijk terzijde
staat. Dit is de kans voor de beginnelingen om hun vaardigheid te vergroten. Hun
houding tegenover hem is dezelfde als die tegenover de meester. De sfeer in de
trainingshal is echter anders. Ze ontspannen zich een beetje, waarbij ze
zichzelf toestaan te praten, waarbij soms zelfs grapjes worden gemaakt.
De training blijft evenwel nog altijd de
overhand houden.
Er was hier echter een belangrijk verschil met onze gebruikelijke denkbeelden
over Boeddhistische monniken die de vechtkunsten beoefenen. Dat had te maken met
de wapentraining. Er waren geen brede zwaarden, geen korte zwaarden en, het
meest verbazingwekkende, geen houten stokken. In wezen worden er in het geheel
geen wapens met bul mu do in verband gebracht. Toen de instructeur over deze
anomalie werd bevraagd, antwoordde hij simpelweg, ‘Hoe kan een monnik een
wapen tegen een ander mens gebruiken?’ Maar in wezen is het duidelijk dat het
gehele lichaam het wapen wordt waarmee ze zich kunnen verdedigen en indien nodig
aanvallen, en dit met verbazingwekkende snelheid en bedrevenheid.
Traditie
Het verglijden der eeuwen schijnt alleen
de oppervlakkige aspecten van de Koreaanse tempelkrijgskunsten te hebben
veranderd. De trainingshal is nu voorzien van moderne zaken als een geschuimde
muur en vloermatten, en elektrische verlichting. En in de buurt kunnen enkele
moderne instrumenten voor gewichtstraining worden gevonden. Maar dit is niet van
belang. Het gaat om de geest die er heerst. En oordelend naar wat werd
waargenomen te Chung Nyun Ahm, heeft deze geest van de krijgskunst de tand des
tijds bijzonder goed doorstaan. De monniken beschikken uitsluitend ten bate van
zichzelf over een uiterst werkzame verdedigingskunst van het hoogste niveau die
reeds lang geleden tot perfectie werd gebracht.
In tegenstelling tot Shaolin kung fu heeft men bul mu do echter met succes
buiten het publieke domein weten te houden. Er is een spreekwoord in Korea: als
de rijstplanten rijpen, laten de meest succesvolle hun ‘koppen’ naar beneden
hangen. Op gelijke wijze hebben de meesters van bul mu do zich altijd op de
achtergrond gehouden, in het bewustzijn van hun eigen superieure vaardigheid. En
zo blijft het.
Bij nader inzien is het, wanneer men de
feiten in aanmerking neemt, hoogst onwaarschijnlijk dat de Boeddhistische
krijgskunsten ooit buiten de tempel zouden kunnen floreren. Slecht zeer weinigen
zouden hun leven willen wijden aan de Boeddhistische zienswijzen, die dagelijks
ettelijke malen mediteren met zich meebrengen geslacht.
Maar het is juist dit
niveau van toewijding dat onontbeerlijk is om waar meesterschap in de oude
Boeddhistische krijgskunst bul mu do te verwerven.